bestuurlijk onvermogen

Artikel – Stem voor de staat, niet voor een nepbedrijf

De coronabestrijding maakt het bestuurlijk onvermogen van de overheid extra zichtbaar. Deze verkiezingen moeten gaan over de onttakeling van de publieke zaak, schrijft Marc Chavannes.

Februari 2020. Het zorgeloos begonnen decennium slaat om in dodelijke science fiction. Een lokale epidemie in Wuhan duikt op in Noord-Italië en wordt razendsnel een wereldwijde Plaag. Nederland van beneden de grote rivieren hoste er nog even op los en er werd in Tirol nog flink geaprèskied, maar toen hielp ontkennen niet meer. Gelukkig was er een kabinet van stavast dat er alles aan deed om ons te beschermen. Op basis van wetenschappelijk advies en gezond verstand, meer dan eens uitgevoerd met de natte vinger.

 

Bijvoorbeeld bij het instellen van de avondklok.

Het was zo’n moment waarop je besefte: goed dat we onafhankelijke rechters hebben die kijken of zo’n ingrijpende maatregel in overeenstemming met het recht is genomen. De Tweede Kamer was al akkoord. Zoals vaker het afgelopen coronajaar was de besluitvorming rommelig en de parlementaire controle gebrekkig.

Zo kwam het meeste coronabeleid tot stand. Informeel gebracht als onvermijdelijk. Of was het vooral klunzig, opgesierd door een iets te positief zelfbeeld?

Mondkapjes, een dagelijks verschijnsel in Azië, waren voor ons niet nodig. We hadden ze ook niet. Na cruciaal treuzelen werd een lockdown afgekondigd, een intelligente nog wel, hoezo ook al weer? In verpleeghuizen had Magere Hein intussen vrij spel. Schoolkinderen waren niet besmettelijk, hoewel… Testen, ach ja, misschien wel nuttig, maar we kregen het maanden niet voor elkaar op de vereiste schaal.

 

Meebesturen

De Tweede Kamer kwam vertraagd uit haar schuilkelder en ging regelmatig in kleine bezetting met het kabinet in debat over de coronamaatregelen. In de gegroeide traditie van meebesturen, werd het vooral Hugo de Jonge doorzagen over praktische details.

Het ging zelden over de oorzaken van de razendsnelle mondialisering van een epidemie, de verziekte verhouding tussen mens, natuur en dier. Laat staan over de onmacht van de eigen overheid, de krappe ziekenhuiscapaciteit in tijden van nood en de gebrekkige mogelijkheid tot regie van de minister van Volksgezondheid.

Zolang vaccins nog niet in zicht waren werd ook geen degelijk plan ontwikkeld om ze te bestellen en toe te dienen. Verrassend snel bleken ze in aantocht. Die Wilde Britten gingen vrijwel direct over tot prikken, zo nodig in koude kathedralen.

De Nederlandse coronaminister en zijn ambtenaren zaten eindeloos met iedereen te overleggen hoe ze het zouden doen. Sloom maar zorgvuldig. Die vlugprikkers deden aan showbusiness.

Het was een zoveelste teken dat het ministerie van VWS zowel de medische als de praktische kennis mist voor zulke grootschalige operaties. Defensie, dat in 2009 de inentingscampagne tegen de Mexicaanse griep had geleid, werd genegeerd. De huisartsen, die jaarlijks op grote schaal griepinjecties verzorgen, moesten dimmen.

De GGD’s kregen de taak; zij bleken sterk gedecentraliseerd en organisatorisch verwaarloosd – hun ict-drama was er maar één bewijs van. De verantwoordelijke minister herzag het schema voortdurend op verzoek van steeds weer andere rechthebbenden met een sterke lobby.

 

Consultantisering

Wat moeten we hier mee op weg naar de stembus? Alles. Het is nodig dat de verkiezingen gaan over waarom zoveel uitvoerende taken van de overheid in het honderd lopen, over de onttakeling van de publieke zaak, de consultantisering van de overheid. Het is tijd voor een herwaardering van wat we wel en niet van de publieke dienst mogen verwachten.

Vóór iedereen in de remedies vlucht voor actuele probleempjes. En de door de coronacrisis aan het licht gebrachte tekortkomingen afdoet als pandemie-incidenten.

‘Testen, ach ja, misschien wel nuttig, maar we kregen het maanden niet voor elkaar op de vereiste schaal’

Op een dieptepunt van het collectieve coronahumeur stuurde Mark Rutte zijn derde kabinet langs het vaccinatiemoeras bekwaam de vluchtstrook in. Aftreden en demissionair doorregeren tot de verkiezingen van midden maart behoedde hem voor een pijnlijk Kamerdebat waarin hij echt verantwoording had moeten afleggen voor tien jaar toeslagterreur – de perfecte metafoor van het door hem belichaamde idee dat de overheid een bedrijf is dat efficiënt en zuinig-op-de-centen gemanaged moet worden. Met de burger als klant en kostenpost, zoals oud-vice-president van de Raad van State Tjeenk Willink altijd zegt: ‘De roep om een snelle oplossing is altijd vals’

Natuurlijk, er was een Kamerdebat over het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag. Iedereen beleed zijn of haar ontzetting. De medewerkers van de Belastingdienst kregen nog eens een veeg uit de pan, met aantekening discriminatie. De Kamer onderkende de noodzaak van een volwaardige parlementaire enquête. Asscher en Wiebes trokken zich de collectieve schuld het meeste aan en verlieten het toneel. Destijds regeringspartij PvdA betaalt, na de dreunende verkiezingsnederlaag van 2017, in de oppositie opnieuw de zwaarste prijs.

 

Duizenddingendoekje

Mark Rutte en zijn VVD zeilen soeverein over het maaiveld en lijken het minst electoraal te worden afgerekend op al die jaren afgeven op de overheid, bezuinigen op vangnetten en al die jaren de burger overlaten aan de te weinig tot de orde geroepen krachten van de markt. Dat verzin ik niet, dat is de strekking van het verkiezingsprogramma 2021 van de partij van de premier.

Het is volgens de liberalen nu tijd dat bedrijven het evenwicht herstellen tussen de noodzaak winst te maken en de samenleving te dienen. Hoe moet dat? Met hulp van een ‘sterke overheid’ als marktmeester. Het woord ‘sterk’ staat 74 keer in het programma. De roep om een kleine (goedkopere) overheid is verstomd. We hebben nu behoefte aan niet een grotere overheid, maar een sterkere overheid.

Die sterke overheid is opeens het duizenddingendoekje van de VVD, die zonder zoiets als een schuldbekentenis overstapt op een etatisme waar de traditioneel linkse partijen hun vingers vroeger bij aflikten. De nadelen van het ongeremde kapitalisme waren vóór corona al voor de meesten zichtbaar, maar deze pandemie maakte binnen de kortste keren duidelijk dat het de overheid is die mensen en bedrijven op de been moet houden als economie en samenleving langdurig in pauzestand gaan.

De VVD maakt de draai op papier soepel, of de oude instincten in de praktijk zijn verdampt moet blijken. Het risico is bovendien levensgroot dat die sterkere overheid van de VVD er een wordt van nog meer regels en controle in plaats van een die erkent dat dokters, docenten en rechters, timmerlieden en haptonomen het vertrouwen terug moeten krijgen dat hen de afgelopen decennia is ontnomen. Eerst zien dan geloven dat de dominante partij die vijftig van de afgelopen zeventig jaar heeft geregeerd, zichzelf opnieuw kan uitvinden.

 

Depolitisering

Het CDA, dat na het verloren gaan van de verzuiling net zo medeverantwoordelijk is geweest voor het geloof in die verzakelijkte overheid als de VVD, zet nu losjes in een op „een betrouwbare en dienstbare overheid”. Onder het motto ‘Nu Doorpakken!’. Daar kunnen ze alle kanten mee uit. Een diep begrip voor wat er fout is gegaan met de publieke zaak spreekt er nog niet uit.

Oppositiepartijen laten na hun door de pandemie onderstreepte gelijk breed te incasseren. Ook zij komen in hun verkiezingsprogramma’s niet met een heldere analyse van de jarenlange depolitisering van de overheid die de burger als een te wantrouwen klant is gaan zien. Ook al is uit het Kieskompas te lezen dat de meeste partijen van rechts naar het midden zijn opgeschoven, er lijkt geen massale beweging naar linkse partijen op gang te komen.

Maar als het gaat om een actievere rol van de overheid is iedereen om. Op papier. Zonder te beschrijven hoe het zo gekomen is dat ministeries vooral processen willen besturen, maar niet meer zoveel afweten van hun onderwerp. Zelfs bij Justitie sprongen de wetgevende kwaliteiten de laatste maanden niet in het oog. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit schreef af en toe een nota voor de minister, maar kon haar vier jaar lang niet aan effectieve beleidsmaatregelen helpen. Een tochtje langs de collega-ministeries brengt geen stralende vorderingen op terreinen als woningbouw of defensie – verkeer en vervoer werd soort van gered door de coronabel.

De coronacrisis maakte het bestuurlijk onvermogen van de overheid extra zichtbaar, maar bezorgde de regerende coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie ook een a-politieke piketdienst die nu al bijna een jaar duurt. De Kamer liet zich in die managementmythe zuigen en kibbelde mee over maatregelen.

‘De politiek liet dit jaar, meer dan ooit, politieke keuzes onbenoemd’

Politiek niet in de zin van partijpolitiek, maar in de zin van keuzes maken over de inrichting van de samenleving, over rechtvaardigheid en gelijke kansen. Over waardering van kennis en vakmanschap, over herovering van respect voor goed werk – zonder targetterreur, normale verantwoording is genoeg.

Noch het coronabeleid noch de andere vastlopende staatstaken van vóór (en na) de pandemie kwamen dit jaar diepgaand ter sprake. In de diverse verkiezingsprogramma’s gaat het wel over vóór en na de coronacrisis, maar meer als aanduiding van een soort weeralarm. Er staat weinig over het fundamenteel misbruik dat de politiek de laatste decennia is gaan maken van de overheid en de wet, pakezels die korte termijn politieke- en imagodoelen moesten dienen. Erkenning daarvan is wel een voorwaarde voor herstel. Dat moet niet wachten op de drie aangezwengelde parlementaire enquêtes, die veel tijd kosten en voorspelbare zelfkastijding over een paar jaar opleveren.

Het wordt een epische taak voor al die nieuwe Kamerleden om straks na een inwerkperiode van een dag weerstand te gaan bieden aan de Haagse logica van tekenen bij het kruisje van een gedetailleerd regeerakkoord. Gewoon niet doen. Eisen dat het om principes gaat, de kansen van de crisis niet laten wegspoelen. Weg met de overheid als nepbedrijf.

Herover de overheid als openbaar plein waarop tegengestelde visies leiden tot een gemeenschappelijke definitie van wat het publiek belang is. Daar hoort het parlement de uitdrukking en bewaker van te zijn. Met regering en ministeries als uitvoerder. Dat is wat de meeste mensen hopen en verlangen.

Marc Chavannes is oud-redacteur van NRC en correspondent politiek van De Correspondent. Een uitgebreide versie van dit stuk is te lezen op De Correspondent. Klik hier voor het originele artikel

Igor Wortel

My resume and working experience is very broad, mail me to get more information: igor@phalanxes.eu or surf www.phalanxes.com

Specialties: Project management, people management, oil industry, mining engineering, outsourcing, credit, process (automation) management, training, private equity, legislation, volunteer, chairman, board member, people manager, professional, factoring, training, lecturing, BigData, (financial) analytics, AI, robotics, internet of everything, BlockChain, Business Model Innovation, IoT

Geef een reactie