‘Bram’s Oboe’ – concert

In dit diverse programma zetten we de hobo extra in het zonnetje. Hoboïst Bram Kreeftmeijer neemt ons mee op avontuur met zijn instrument, net zoals Father Gabriel dat deed in de film the Mission. Hij voert ons langs muzikale panorama’s van ‘hobohit’ Mozart naar Poulenc, vervolgt de tocht naar Johann Christian ‘London’ Bach om in een verrassende afslag te eindigen bij Ennio Morricone’s Gabriel’s Oboe.

Deze toegewijde ontdekkingsreiziger wordt op de expeditie vergezeld door 4 muzikale reisgenoten met allen een enorme staat van dienst. Een zangerig, spectaculair, virtuoos, maar ook licht, geestig en gekruid met spannende harmonieën programma. Dit menu heeft vele smaken, van duo’s tot een kwintet, met voor iedereen z’n moment om in het zonlicht te stralen.

Klik voor programma en kaarten op deze link.

Met winterbanden scheren we langs de afgrond – column

Er is iets vreemds aan de manier waarop we tegenwoordig met risico’s omgaan. De kans dat er iemand bij je voordeur inbreekt, is relatief laag. Toch installeren we massaal de elektronische deurbel om ongure types buiten de deur te houden. Hoe klein het risico ook is, we doen er alles aan om het te reduceren. Maar waar de kans op ongelukken groot is, nemen we alle risico’s van de wereld. Dezelfde mensen die een elektronische deurbel aanschaffen, schromen er niet voor al hun spaargeld in crypto’s te steken. We staren ons blind op de kleine risico’s, maar hebben geen oog voor de grote. Hoe kan dat?

De elektronische deurbel past in het beeld van de risico­samenleving, een samenleving die voortdurend bedacht is op risico’s en er alles aan doet om deze te minimaliseren. Met de moderne overtuiging dat het ­leven maakbaar is, is het afwegen van risico’s relevanter geworden: we nemen geen genoegen met het noodlot, denken dat we het leven zelf onder controle hebben en daar hoort een gedegen risicoafweging bij. Technologie reikt daarbij de helpende hand. Door de vele sensoren en data kunnen we steeds beter voorspellingen doen en dus beter risico’s inschatten.

Door dit idee van maakbaarheid en onze verbeterde risico inschatting zijn we steeds meer aspecten van ons leven door de ­risicobril gaan bekijken. Onschuldige fenomenen, die tot voor kort als plezierig of comfortabel werden bestempeld, zijn we als risico gaan zien. Zoals ‘spelende kinderen op straat’ of ‘zittend kantoorwerk’. Het paradoxale is dat al die kennis over mogelijke risico’s en de technische mogelijkheden om ze weg te nemen niet automatisch bijdragen aan een geruster gevoel. Het is eerder andersom. Omdat we zien waar het mis kan gaan, dénken we ook dat het mis kan gaan. De mogelijkheden om ­zekerheden in te bouwen voeden het gevoel van onzekerheid.

‘We staren ons blind op kleine risico’s en hebben geen oog voor de grote. Hoe kan dat?’

Maar waar het onwaarschijnlijke met steeds meer voorzichtigheid wordt benaderd (de inbreker aan de deur), storten we ons tegelijkertijd met blind enthousiasme in avonturen waarvan de gevolgen veel minder onwaarschijnlijk zijn (zoals het speculeren in exotische asset classes). Waarom daar wel die ­risico’s lopen?

Dat heeft met twee dingen te maken. Het eerste is dat we ons gemakkelijk laten meevoeren in het enthousiasme over de mogelijke uitkomst. Het is de rush van de zoveelste cryptosprint die maakt dat je er nog een schepje bij doet. Volgens de Franse filosoof Tristan Garcia is de moderne mens verslaafd aan het idee van een intens leven. We willen allemaal een leven leiden als Baudelaire: nooit saai en permanent op zoek naar nog meer intense ervaringen. We stellen een gelijkmatig leven gelijk aan een middelmatig leven en dat wil niemand. En bij dat intense leven hoort het nemen van grote risico’s.

De tweede reden is dat door het wegvallen van een beschermende overheid mensen hun toevlucht moeten zoeken tot de markt voor het verkrijgen van bestaanszekerheid. En wanneer iedereen zich met grote intensiteit op de markt begeeft, nemen de risico’s automatisch toe.

De moderne mens is een schizofreen persoon: met winterbanden scheert hij langs de afgrond.

Klik hier voor het originele artikel.

De bank van de toekomst zit op de blockchain – artikel

De bitcoinmunt mag de koppen halen, het ging in het bedrijfsleven de afgelopen tijd vooral over de achterliggende technologie, de blockchain. 

Een netwerk waarbij vertrouwen vanzelfsprekend is. Welk bedrijf wil dat nou niet? Het ging de laatste jaren in het bedrijfsleven niet over de bitcoin, de munt die het medialandschap domineert, maar over de achterliggende techniek, de blockchain.

Van Shell tot Rabobank en van Allianz tot AstraZeneca; iedereen wilde ‘iets’ met blockchain. Het resultaat van al die experimenten is mager. De blockchain is weliswaar een elegante oplossing, maar ook een uiterst gecompliceerde. In de meeste gevallen bleek een database met een paar goede onderlinge afspraken net zo goed te functioneren. Veel geleerd, weinig resultaat.

Kapitaalronde

En toch staan de ontwikkelingen niet stil, zegt Joost van der Plas, partner bij het investeringsfonds Maven 11 dat donderdag een nieuwe kapitaalronde van €40 mln presenteert. We zien er nog niet veel van terug, maar onder de oppervlakte wordt gebouwd aan een nieuwe financiële infrastructuur, zegt hij. ‘We hebben lang gekeken naar een gat in de grond waar eigenlijk een toren had moeten staan. Nu zien we de contouren van de eerste verdiepingen.’

Van der Plas geeft als voorbeeld de bedrijven die lenen zonder tussenkomst van de bank mogelijk maken. Nu gaat dat nog met onderpand, leners brengen cryptogeld in en krijgen daar dollars voor terug. Op termijn moet het ook mogelijk worden om iemands digitale krediethistorie, denk aan de handel en verkoop van cryptomunten, te combineren met traditionele bankdata. ‘Waardoor een betere risico-inschatting ontstaat.’

Op het moment zit er rond de $50 mrd aan dollarwaarde in dit type cryptoleningen, Van der Plas schat in dat dit bedrag voor het einde van het jaar oploopt naar minimaal $150 mrd. ‘Dat is nog niks op wereldschaal, maar het groeit hard.’

Ethereum

De ondernemers waar Maven 11 in investeert zijn actief in een domein dat DeFi genoemd wordt. Het gaat om bedrijven die software ontwikkelen op het ethereum-protocol — een van de waardevolste cryptomunten van het moment. Onder hen bevinden zich veel leenbedrijven, maar ook handelsplatformen, marktplaatsen en partijen die zich richten op verzekeren, betalen en sparen.

Het kapitaal uit het laatste investeringsfonds is afkomstig van family offices, bekende ondernemers en zogenoemde high net worth individuals. ‘Partijen met een gezonde interesse in dit domein. Vaak met een achtergrond in de financiële wereld.’ Maven 11 verwacht de fondsomvang nog voor het einde van de zomer tot €65 mln toe te laten nemen.

Na de hype van 2018, toen investeerders in totaal $8,5 mrd investeerden in ieder project met ‘blockchain’ in de naam, is het realisme terug in de sector, belooft Van der Plas. ‘De blockchainstructuur waar de afgelopen jaren aan is gebouwd, gaat nu iets opleveren.’

Klik hier voor het volledige artikel.

Zelfontsnapping – column

Vooral interessant in het kader van de huidige ‘golf van digitalisering’. Het wegnemen van routinematige handelingen brengt een zelfopgelegde verplichting met zich mee en vraagt om nieuwe kaders.

Het lijkt wel de grootste ommezwaai in ons arbeidsleven van de afgelopen twintig jaar. Nog niet zo lang geleden schreeuwden medewerkers om meer vrijheid en autonomie op de werkvloer. Nu lijkt er precies het tegenovergestelde aan de hand te zijn: mensen willen juist begrensd worden in hun vrijheid om almaar te werken. Er is ineens een roep om allerlei regels die de werkdag inperken, zoals verplichte vergaderloze dagen en de afspraak elkaar ’s avonds niet te mailen. Wat is hier aan de hand?

De afgelopen zestig jaar stond in het teken van de roep om meer vrijheid. Vanaf de jaren zestig werden religieuze ketenen door grote groepen in de samenleving met veel enthousiasme afgeworpen. De tweede stap volgde met de opkomst van het neoliberalisme. Op de werkvloer namen we afscheid van strikt hiërarchische vormen van leiderschap. Langzamerhand werden we vrij van het strenge regime van kerk, staat en baas. Voortaan waren we regisseurs van ons eigen geluk.

‘Het is heel moeilijk om aan je eigen plichtsbesef te ontsnappen, zeker als routines wegvallen’

Maar dat nieuwe vrije leven was niet vrij van dwang. Het neoliberalisme liet mensen niet alleen vrij, maar legde ook een subtiele zelfverplichting op. Voortaan waren we zelf verantwoordelijk. Dat betekent: als het fout gaat, is er ook niemand om de schuld te geven. Niet de kerk, de staat of de baas heeft het gedaan, maar jijzelf. Ook de omstandigheden konden niet meer worden aangewezen als zondebok. En zo veranderde vrijheid in een permanente druk om er alles aan te doen om het beste uit jezelf te halen. Zelfbeschikking werd langzaam zelf opgelegde verplichting. Het leven zelf werd een prestatie.

De subtiele dwang in dit nieuw verworven vrije leven komt niet van boven, maar van jezelf. En daar valt veel moeilijker aan te ontsnappen. Het is heel moeilijk om aan je eigen plichtsbesef te ontkomen. Zeker als kantoorroutines door corona wegvallen en iedereen de hele dag achter een scherm zit. Virtueel werken houdt namelijk nooit op. Juist het thuiswerken maakt duidelijk hoe belangrijk het is om te kunnen ontsnappen aan zelfopgelegde druk. Het besef begint door te dringen dat vrijheid begint bij zelfsturing; met een bewustzijn van je eigen patronen en het vermogen die te veranderen.

Het neoliberalisme gaf mensen zelfverplichting zonder het recept om de uitwassen daarvan te voorkomen; namelijk het vermogen tot zelfrestrictie. Gek genoeg moeten we daarvoor terug naar de religies. Zij brachten behalve geloof ook oefenpraktijken. Denk aan bidden, contemplatie, vasten en meditatie. In de woorden van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk: de relatie met God heeft niet alleen een verticale, maar ook altijd een horizontale dimensie gehad waarbij mensen zichzelf disciplineerden door vooral veel te oefenen. Dat zien we tegenwoordig eigenlijk alleen nog maar terug in de sport. Maar deze geseculariseerde tijd met zijn eindeloze werkroutines vraagt juist om een herwaardering van oefenprogramma’s voor de geest.

We kunnen de ander vragen om ons uit de maalstroom van activiteiten of gedachten te trekken. Maar we kunnen ook leren dat zelf te doen. Niet om beter te kunnen presteren, maar om beter te leven.

Link naar het originele artikel: link

Thuiswerken: wat is onbelast en wat niet?

Vanwege corona werkt Nederland zo veel mogelijk thuis. Maar kun je als werkgever jouw personeel hiervoor ook een onbelaste vergoeding geven? En zo ja, onder welke voorwaarden?

Belastingdienst keurt nieuwe modelovereenkomst goed voor zzp-bemiddeling – artikel

Onlangs keurde de Belastingdienst een nieuwe modelovereenkomst goed van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) voor bemiddeling van zzp’ers. Deze overeenkomst gaat vanaf 22 maart 2021 gelden voor een periode van vijf jaar.

 

Deze nieuwe modelovereenkomst met het nummer 9052 124 224 wijkt slechts op een paar kleine punten af van de voorgaande modelovereenkomst. Bestaande – nog lopende – overeenkomsten (die dus gebaseerd zijn op de oude modelovereenkomst) hoeven niet te worden aangepast.

Zie voor een opsomming van alle wijzigingen in de nieuwe overeenkomst de website van de NBBU. De uiteindelijke tekst van de nieuwe modelovereenkomst is nog niet beschikbaar op de website van de Belastingdienst. De dienst heeft aangegeven nog enkele dagen verwerkingstijd nodig te hebben.

 

Link naar originele artikel.

Onderwijs-moet-zich-voorbereiden-op-blended-toekomst

Onderwijs moet zich voorbereiden op blended toekomst

Na meer dan een jaar online onderwijs smachten studenten en docenten naar het moment waarop ze weer naar de campus kunnen. Voor de lange termijn biedt digitaal onderwijs echter vele kansen. Wat is de ideale mix tussen fysiek en digitaal onderwijs? En welke punten verdienen speciale aandacht in de opmars van blended onderwijs? Turner deed onderzoek.

Dat de coronacrisis haar tol eist op studenten is inmiddels glashelder. Het zal weinigen verbazen dat 100% online onderwijs niet ideaal is. De huidige situatie biedt wel de kans om door een nieuwe bril te kijken naar de toekomst van het onderwijs op hogescholen en universiteiten, waarin digitaal en fysiek onderwijs elkaar aanvullen.

Vanuit die gedachte deed Turner onderzoek onder 1.500 studenten en medewerkers van drie hogescholen en drie universiteiten. Zowel studenten als docenten zien vele kansen in ‘blended onderwijs’. Denk aan meer mogelijkheden om maatwerk te bieden, laagdrempeliger contact met docenten, meer internationaal onderwijs, nieuwe onderwijsvormen, extra flexibiliteit en meer efficiëntie.

De ideale mix

Een ruime meerderheid van de studenten ziet het dan ook zitten om een deel van het onderwijs online te volgen. Gemiddeld genomen beschouwen ze 35% tot 45% online onderwijs als de ideale mix. Hierbij lopen de voorkeuren echter flink uiteen. Zo wil een kwart van de studenten het liefst helemaal geen online onderwijs, terwijl er ook een groep is die wel 60% tot 80% online zou willen volgen.

Verder blijkt dat online lessen op meer steun kunnen rekenen dan online toetsen. Gemiddeld gezien geven studenten aan tussen de 25% en 45% van de toetsen op afstand te willen maken. Tegelijk wil maar liefst 40% helemaal geen online toetsen.

Ook docenten denken dat het inzetten van online onderwijs veel kansen biedt voor de toekomst. Gevraagd wat ze daarvoor nodig hebben, noemen ze het vaakst een betere thuiswerkplek. Ook de juiste digitale middelen, beter afgestemde roosters en de tijd en training om de nieuwe onderwijsvormen eigen te maken worden veel genoemd.

Bied verschillende opties

Al met al vallen vooral de sterk uiteenlopende voorkeuren op. “De een bloeit op van de autonomie van online leren. De ander juist niet. De een vindt online tentamens erg stressvol. De ander juist niet”, aldus de onderzoekers, die daarom pleiten voor het aanbieden van verschillende opties in de onderwijsmix: “Digitaal en niet digitaal, synchroon en asynchroon, thuis en op de campus.”

Maar hoe begin je hieraan? Turner adviseert om te starten met één vak, en dat helemaal opnieuw te ontwerpen. “Je kijkt naar welke vorm het beste past bij de leerdoelen en de leeractiviteiten van dat vak. Welke onderdelen van het vak ondervinden profijt als het digitaal is? Welke niet?”

Door klein te beginnen komen concrete nieuwe mogelijkheden en ideeën naar boven en kunnen docenten elkaar inspireren: “Zo kun je kort-cyclisch evalueren, leren en delen.”

Regie bij de studenten en docenten

Volledig maatwerk acht Turner niet haalbaar, aangezien er altijd bepaalde verplichtingen of eisen zijn vanuit de instelling. Studenten kunnen echter wel meedenken over de manier waarop een vak wordt opgezet: “Regie op het leerproces – het begint bij de student zelf.”

“De een bloeit op van de autonomie van online leren. De ander juist niet. De een vindt online tentamens erg stressvol. De ander juist niet.”

Ook docenten kunnen meer regie krijgen, wanneer ze worden ingezet op hun eigen kracht en expertise. “Geeft de één een vlammende hoorcolleges? Neem het op video op en pak – en passant – ook een onderwerp van die minder theatrale collega mee. Bloeit de ander op in een lab- of practicumlokaal? Breng daar de meeste tijd door. Weer een ander is een kei in afstudeerders begeleiden? Richt je daarop.”

Net als voor de studenten, lijkt ook voor de docenten 100% maatwerk niet haalbaar. “Ook voor docenten zullen er altijd eisen en verplichtingen zijn. Een basisniveau aan online didactische vaardigheden is in deze tijd gewoonweg noodzakelijk voor elke docent.”

Online onderwijs vraagt bovendien om nieuwe didactische vaardigheden. Het is vanzelfsprekend belangrijk om hieraan te werken, bijvoorbeeld via extra trainingen of peer-to-peer coaching.

Verbinding

Eén van de belangrijkste thema’s van het afgelopen jaar was verbinding, of het gebrek daaraan. De doorslaggevende factor in de tevredenheid van studenten over het onderwijs was of zij zich gehoord en gezien voelden door hun docent. 

Uiteraard zal 100% online niet de norm blijven, maar ook als een deel van het onderwijs online wordt gegeven, blijft verbinding een belangrijk aandachtspunt. “Organiseer ruimte en gelegenheid voor studenten om contact te maken, om vragen te stellen, om ideeën te opperen”, aldus de onderzoekers.

“Organiseer ruimte en gelegenheid voor studenten om contact te maken.”

Ook bij de instellingen ligt een verantwoordelijkheid op dit gebied. Waar gemeenschapszin eerder vanzelf ontstond op de campus, moet daar in het blended onderwijs bewust in worden geïnvesteerd.

Daar biedt het online kanaal ook nieuwe mogelijkheden voor. “Die expert uit het veld is nu wel (online) beschikbaar. Die loopbaancoach van de andere instelling kan nu wel (online) komen. Zelfs een hele klas van een andere instelling kan online worden uitgenodigd. Er zijn genoeg mogelijkheden om een veilige community te creëren van studenten die elkaar kennen en die wordt verrijkt met impulsen van buiten.”

Campus voor co-creatie

Tot slot de campus. Naarmate het onderwijs meer blended wordt, zal de functie van de campus veranderen. Hierbij ziet Turner vooral kansen op het gebied van co-creatie. “Veel meer een ontmoetingsplaats en veel minder een werkplek of een instructieplek. Waar kennis niet alleen wordt overgedragen, maar ook wordt gecreëerd.”

Daarbij kan naast het onderwijs en onderzoek ook de verbinding worden gezocht met de beroepspraktijk. “Om nieuwe samenwerkingen echt van de grond te krijgen, om echt diepe gesprekken te voeren, om echt samen iets te creëren, wil je elkaar echt ontmoeten.”

De campus als plek voor co-creatie vraagt ook om een andere indeling van de beschikbare ruimte. Zo zal er minder behoefte zijn aan collegezalen en meer aan plekken waarin mensen op nieuwe manieren kunnen samenwerken. “Vastgoed is een grote kostenpost en investering van instellingen, denk dus goed na welke vraag er de komende tijd gaat ontstaan”, besluiten de onderzoekers.

Link naar het originele artikel.

Putting People at the Centre of Operations – article

In practice, we need to re-associate people with operations, like Google has. We heavily rely on people in teams to run businesses, so we need research to continue to unveil the impact of people on processes and how processes may change people.

“When all you’ve got is a hammer, every problem looks like a nail.”

‘De pandemie heeft de digitalisering versnelt’ wordt vaak in een hosanna stemming verkocht, er zijn grenzen en barrières doorbroken. Jarenlange vertraging in technologische ontwikkeling is in een sneltreinvaart opgepakt. De lineair denkende en zich ontwikkelende mens heeft een denkbeeldig sprongetje gemaakt richting exponentiele technologie. Het meest bekende plaatje dat hier bij past staat hieronder:

Maar is al deze ontwikkeling wel zo blij-makend? Inmiddels hoor ik weer vaker geluiden om mij heen die aangeven dat het kantoor, de collega’s, het netwerken, de collegezaal en zelfs de machine met de belabberde koffie worden gemist. Maar wat missen we dan echt? Het is toch zoveel beter om niet te reizen? Andere vraag die ik dan graag wil stellen: waarom zijn we dan zoveel meer prikkelbaar? Terwijl we aan veel minder prikkels worden blootgesteld? Door het vele scherm-werk en nauwelijks fysieke interactie zijn alle prikkels feitelijk sterk geconditioneerd, waarom dan toch die collectieve irritaties?

Door de gecreëerde bubbels verbinden we ons via het scherm op een andere manier met de buitenwereld. Een die is gebaseerd op permanente fixatie. De aandacht wordt lange tijd gericht op dezelfde plek, het scherm. Door de conditionering van nagenoeg alle informatie die binnen komt is iedere zoektocht succesvol, wat je ook zoekt. Het gebrek aan verandering van omgeving zorgt voor het niet verleggen van fixatie en ontbreken van veel relativering. Dit proces is precies wat nodig is voor innovatie, product-ontwerp, design en als onderdeel aanpassingen in het verdienmodel tot stand komen. Gevisualiseerd zien deze ontwerpmodellen er uit als een aanéénschakeling van convergerende en divergerende bewegingen:

Daar komt nog bij dat we in deze tijd, naast de conditionering, met onze neus op nog een eigenschap van digitale media worden gedrukt: ze zorgen ervoor dat we veel meer binnenkrijgen dan we kunnen afvoeren. Er is een discrepantie tussen de input aan digitale impulsen en wat we ermee kunnen doen. Lang niet alles wat we via ons beeldscherm te zien en te horen krijgen, kan zijn weg vinden in een reactie. Er is te veel om op te reageren. Filosoof Rüdiger Safranski schreef ooit: ‘Handelen is het ontlastende antwoord op een prikkel.’ En dat mis je dus als je achter je scherm zit. Alles wat je aan prikkels krijgt, kan niet worden vertaald in handelingen, nieuwe businessmodellen voor je onderneming, ideeën tijdens fysieke bijeenkomsten. Daarvoor zijn de grenzen van het scherm en de muren van het huis te klein.

We hebben de buitenwereld nodig als tegenwicht voor de fixatie en broodnodige innovatie. Als middel om de balans te herstellen tussen wat we absorberen en kunnen afvoeren. Al die opgebouwde prikkels kunnen weer worden opgenomen door een horizon of een bitterbal tijdens een borrel.

bestuurlijk onvermogen

Artikel – Stem voor de staat, niet voor een nepbedrijf

De coronabestrijding maakt het bestuurlijk onvermogen van de overheid extra zichtbaar. Deze verkiezingen moeten gaan over de onttakeling van de publieke zaak, schrijft Marc Chavannes.

Februari 2020. Het zorgeloos begonnen decennium slaat om in dodelijke science fiction. Een lokale epidemie in Wuhan duikt op in Noord-Italië en wordt razendsnel een wereldwijde Plaag. Nederland van beneden de grote rivieren hoste er nog even op los en er werd in Tirol nog flink geaprèskied, maar toen hielp ontkennen niet meer. Gelukkig was er een kabinet van stavast dat er alles aan deed om ons te beschermen. Op basis van wetenschappelijk advies en gezond verstand, meer dan eens uitgevoerd met de natte vinger.

 

Bijvoorbeeld bij het instellen van de avondklok.

Het was zo’n moment waarop je besefte: goed dat we onafhankelijke rechters hebben die kijken of zo’n ingrijpende maatregel in overeenstemming met het recht is genomen. De Tweede Kamer was al akkoord. Zoals vaker het afgelopen coronajaar was de besluitvorming rommelig en de parlementaire controle gebrekkig.

Zo kwam het meeste coronabeleid tot stand. Informeel gebracht als onvermijdelijk. Of was het vooral klunzig, opgesierd door een iets te positief zelfbeeld?

Mondkapjes, een dagelijks verschijnsel in Azië, waren voor ons niet nodig. We hadden ze ook niet. Na cruciaal treuzelen werd een lockdown afgekondigd, een intelligente nog wel, hoezo ook al weer? In verpleeghuizen had Magere Hein intussen vrij spel. Schoolkinderen waren niet besmettelijk, hoewel… Testen, ach ja, misschien wel nuttig, maar we kregen het maanden niet voor elkaar op de vereiste schaal.

 

Meebesturen

De Tweede Kamer kwam vertraagd uit haar schuilkelder en ging regelmatig in kleine bezetting met het kabinet in debat over de coronamaatregelen. In de gegroeide traditie van meebesturen, werd het vooral Hugo de Jonge doorzagen over praktische details.

Het ging zelden over de oorzaken van de razendsnelle mondialisering van een epidemie, de verziekte verhouding tussen mens, natuur en dier. Laat staan over de onmacht van de eigen overheid, de krappe ziekenhuiscapaciteit in tijden van nood en de gebrekkige mogelijkheid tot regie van de minister van Volksgezondheid.

Zolang vaccins nog niet in zicht waren werd ook geen degelijk plan ontwikkeld om ze te bestellen en toe te dienen. Verrassend snel bleken ze in aantocht. Die Wilde Britten gingen vrijwel direct over tot prikken, zo nodig in koude kathedralen.

De Nederlandse coronaminister en zijn ambtenaren zaten eindeloos met iedereen te overleggen hoe ze het zouden doen. Sloom maar zorgvuldig. Die vlugprikkers deden aan showbusiness.

Het was een zoveelste teken dat het ministerie van VWS zowel de medische als de praktische kennis mist voor zulke grootschalige operaties. Defensie, dat in 2009 de inentingscampagne tegen de Mexicaanse griep had geleid, werd genegeerd. De huisartsen, die jaarlijks op grote schaal griepinjecties verzorgen, moesten dimmen.

De GGD’s kregen de taak; zij bleken sterk gedecentraliseerd en organisatorisch verwaarloosd – hun ict-drama was er maar één bewijs van. De verantwoordelijke minister herzag het schema voortdurend op verzoek van steeds weer andere rechthebbenden met een sterke lobby.

 

Consultantisering

Wat moeten we hier mee op weg naar de stembus? Alles. Het is nodig dat de verkiezingen gaan over waarom zoveel uitvoerende taken van de overheid in het honderd lopen, over de onttakeling van de publieke zaak, de consultantisering van de overheid. Het is tijd voor een herwaardering van wat we wel en niet van de publieke dienst mogen verwachten.

Vóór iedereen in de remedies vlucht voor actuele probleempjes. En de door de coronacrisis aan het licht gebrachte tekortkomingen afdoet als pandemie-incidenten.

‘Testen, ach ja, misschien wel nuttig, maar we kregen het maanden niet voor elkaar op de vereiste schaal’

Op een dieptepunt van het collectieve coronahumeur stuurde Mark Rutte zijn derde kabinet langs het vaccinatiemoeras bekwaam de vluchtstrook in. Aftreden en demissionair doorregeren tot de verkiezingen van midden maart behoedde hem voor een pijnlijk Kamerdebat waarin hij echt verantwoording had moeten afleggen voor tien jaar toeslagterreur – de perfecte metafoor van het door hem belichaamde idee dat de overheid een bedrijf is dat efficiënt en zuinig-op-de-centen gemanaged moet worden. Met de burger als klant en kostenpost, zoals oud-vice-president van de Raad van State Tjeenk Willink altijd zegt: ‘De roep om een snelle oplossing is altijd vals’

Natuurlijk, er was een Kamerdebat over het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag. Iedereen beleed zijn of haar ontzetting. De medewerkers van de Belastingdienst kregen nog eens een veeg uit de pan, met aantekening discriminatie. De Kamer onderkende de noodzaak van een volwaardige parlementaire enquête. Asscher en Wiebes trokken zich de collectieve schuld het meeste aan en verlieten het toneel. Destijds regeringspartij PvdA betaalt, na de dreunende verkiezingsnederlaag van 2017, in de oppositie opnieuw de zwaarste prijs.

 

Duizenddingendoekje

Mark Rutte en zijn VVD zeilen soeverein over het maaiveld en lijken het minst electoraal te worden afgerekend op al die jaren afgeven op de overheid, bezuinigen op vangnetten en al die jaren de burger overlaten aan de te weinig tot de orde geroepen krachten van de markt. Dat verzin ik niet, dat is de strekking van het verkiezingsprogramma 2021 van de partij van de premier.

Het is volgens de liberalen nu tijd dat bedrijven het evenwicht herstellen tussen de noodzaak winst te maken en de samenleving te dienen. Hoe moet dat? Met hulp van een ‘sterke overheid’ als marktmeester. Het woord ‘sterk’ staat 74 keer in het programma. De roep om een kleine (goedkopere) overheid is verstomd. We hebben nu behoefte aan niet een grotere overheid, maar een sterkere overheid.

Die sterke overheid is opeens het duizenddingendoekje van de VVD, die zonder zoiets als een schuldbekentenis overstapt op een etatisme waar de traditioneel linkse partijen hun vingers vroeger bij aflikten. De nadelen van het ongeremde kapitalisme waren vóór corona al voor de meesten zichtbaar, maar deze pandemie maakte binnen de kortste keren duidelijk dat het de overheid is die mensen en bedrijven op de been moet houden als economie en samenleving langdurig in pauzestand gaan.

De VVD maakt de draai op papier soepel, of de oude instincten in de praktijk zijn verdampt moet blijken. Het risico is bovendien levensgroot dat die sterkere overheid van de VVD er een wordt van nog meer regels en controle in plaats van een die erkent dat dokters, docenten en rechters, timmerlieden en haptonomen het vertrouwen terug moeten krijgen dat hen de afgelopen decennia is ontnomen. Eerst zien dan geloven dat de dominante partij die vijftig van de afgelopen zeventig jaar heeft geregeerd, zichzelf opnieuw kan uitvinden.

 

Depolitisering

Het CDA, dat na het verloren gaan van de verzuiling net zo medeverantwoordelijk is geweest voor het geloof in die verzakelijkte overheid als de VVD, zet nu losjes in een op „een betrouwbare en dienstbare overheid”. Onder het motto ‘Nu Doorpakken!’. Daar kunnen ze alle kanten mee uit. Een diep begrip voor wat er fout is gegaan met de publieke zaak spreekt er nog niet uit.

Oppositiepartijen laten na hun door de pandemie onderstreepte gelijk breed te incasseren. Ook zij komen in hun verkiezingsprogramma’s niet met een heldere analyse van de jarenlange depolitisering van de overheid die de burger als een te wantrouwen klant is gaan zien. Ook al is uit het Kieskompas te lezen dat de meeste partijen van rechts naar het midden zijn opgeschoven, er lijkt geen massale beweging naar linkse partijen op gang te komen.

Maar als het gaat om een actievere rol van de overheid is iedereen om. Op papier. Zonder te beschrijven hoe het zo gekomen is dat ministeries vooral processen willen besturen, maar niet meer zoveel afweten van hun onderwerp. Zelfs bij Justitie sprongen de wetgevende kwaliteiten de laatste maanden niet in het oog. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit schreef af en toe een nota voor de minister, maar kon haar vier jaar lang niet aan effectieve beleidsmaatregelen helpen. Een tochtje langs de collega-ministeries brengt geen stralende vorderingen op terreinen als woningbouw of defensie – verkeer en vervoer werd soort van gered door de coronabel.

De coronacrisis maakte het bestuurlijk onvermogen van de overheid extra zichtbaar, maar bezorgde de regerende coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie ook een a-politieke piketdienst die nu al bijna een jaar duurt. De Kamer liet zich in die managementmythe zuigen en kibbelde mee over maatregelen.

‘De politiek liet dit jaar, meer dan ooit, politieke keuzes onbenoemd’

Politiek niet in de zin van partijpolitiek, maar in de zin van keuzes maken over de inrichting van de samenleving, over rechtvaardigheid en gelijke kansen. Over waardering van kennis en vakmanschap, over herovering van respect voor goed werk – zonder targetterreur, normale verantwoording is genoeg.

Noch het coronabeleid noch de andere vastlopende staatstaken van vóór (en na) de pandemie kwamen dit jaar diepgaand ter sprake. In de diverse verkiezingsprogramma’s gaat het wel over vóór en na de coronacrisis, maar meer als aanduiding van een soort weeralarm. Er staat weinig over het fundamenteel misbruik dat de politiek de laatste decennia is gaan maken van de overheid en de wet, pakezels die korte termijn politieke- en imagodoelen moesten dienen. Erkenning daarvan is wel een voorwaarde voor herstel. Dat moet niet wachten op de drie aangezwengelde parlementaire enquêtes, die veel tijd kosten en voorspelbare zelfkastijding over een paar jaar opleveren.

Het wordt een epische taak voor al die nieuwe Kamerleden om straks na een inwerkperiode van een dag weerstand te gaan bieden aan de Haagse logica van tekenen bij het kruisje van een gedetailleerd regeerakkoord. Gewoon niet doen. Eisen dat het om principes gaat, de kansen van de crisis niet laten wegspoelen. Weg met de overheid als nepbedrijf.

Herover de overheid als openbaar plein waarop tegengestelde visies leiden tot een gemeenschappelijke definitie van wat het publiek belang is. Daar hoort het parlement de uitdrukking en bewaker van te zijn. Met regering en ministeries als uitvoerder. Dat is wat de meeste mensen hopen en verlangen.

Marc Chavannes is oud-redacteur van NRC en correspondent politiek van De Correspondent. Een uitgebreide versie van dit stuk is te lezen op De Correspondent. Klik hier voor het originele artikel